Autismeportaal | dehit
Gratis Autisme Kennisbank
Vind het op autismeportaal
Search this site
247 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Autisme en “Het Voorspellende Brein” – Peter Vermeulen
“Het Voorspellende Brein” van Peter Vermeulen is geen gewoon boek over autisme. Het is een uitnodiging om anders te kijken naar hoe wij allemaal, autistisch of niet, de wereld begrijpen. Vermeulen laat overtuigend zien dat veel van wat we dachten te weten over prikkels, gedrag en informatieverwerking simpelweg niet klopt. Zijn centrale boodschap is even verrassend als bevrijdend: ons brein is geen passieve ontvanger van prikkels, maar een hyperactieve voorspeller. En precies daar, in dat voorspellende mechanisme, ontstaat het verschil in hoe mensen met autisme de wereld ervaren. Over de auteur: Peter Vermeulen Vermeulen is al decennialang een toonaangevende stem binnen het autismedomein. Hij staat bekend om zijn heldere taal, zijn humor en zijn vermogen om complexe theorieën toegankelijk te maken. Met dit boek zet hij opnieuw een stap vooruit: hij verbindt de moderne neurowetenschap met de dagelijkse realiteit van mensen met autisme. De kern: een brein dat voorspelt, niet registreert Vermeulen breekt af met het klassieke idee dat we de wereld waarnemen door prikkels te ontvangen en te verwerken. In plaats daarvan stelt hij: Het brein voorspelt voortdurend wat er gaat gebeuren. Zintuigen dienen vooral om te checken of die voorspellingen kloppen. Wanneer voorspellingen mislukken, ontstaat er een voorspellingsfout — en dat voelt onveilig. Voor mensen met autisme zijn die voorspellingsfouten veel talrijker, omdat hun brein vaak te specifieke modellen maakt van hoe de wereld werkt. Een kleine afwijking — een andere route, een onverwachte drukte, een subtiele verandering — kan dan al voelen als een grote mismatch. Wat betekent dit voor autisme? Vermeulen laat zien dat veel klassieke ideeën over autisme te beperkt zijn: ❌ Denkfout 1: “Autisme = overprikkeling” Volgens Vermeulen is het niet de hoeveelheid prikkels die stress veroorzaakt, maar de onzekerheid. Een brein dat zich onzeker voelt, gaat juist méér prikkels binnenhalen en raakt daardoor overspoeld. ❌ Denkfout 2: “Je kunt emoties aflezen van gezichten” Gezichten zijn vaak dubbelzinnig. Vermeulen pleit voor iets veel menselijkers: vraag hoe iemand zich voelt, in plaats van te gokken. ❌ Denkfout 3: “Het brein verwerkt prikkels” Het brein verwerkt niet, het voorspelt. En wanneer de wereld minder voorspelbaar voelt, wordt het leven vermoeiender en complexer. Praktische implicaties: wat kunnen we hiermee? Vermeulen maakt zijn theorie concreet en toepasbaar: Autismevriendelijkheid is geen prikkelarmte, maar voorspelbaarheid. Structuur, duidelijke verwachtingen en betrouwbare routines verminderen stress. Variatie kun je leren — mits je het veilig en stap voor stap aanbiedt. Zelfvertrouwen is een cruciale buffer: wie zich goed voelt, kan meer aan. Zijn visie verschuift de focus van “beschermen tegen prikkels” naar versterken van veerkracht. Waar te vinden Het boek ligt in de meeste boekhandels en is online eenvoudig te bestellen. Het is actueel, toegankelijk geschreven en direct toepasbaar in onderwijs, zorg, opvoeding en coaching. Aanvullende bronnen Wie dieper wil duiken in Vermeulens gedachtegoed, kan terecht bij: Een uitgebreid interview met hem op Radio 1, waarin hij de theorie helder toelicht. De documentaire “De Regels van Matthijs”, die prachtig laat zien hoe voorspelbaarheid en onzekerheid een rol spelen in het dagelijks leven van iemand met autisme. Waarom dit boek een aanrader is “Het Voorspellende Brein” biedt een frisse, humane en wetenschappelijk onderbouwde kijk op autisme. Het helpt je niet alleen mensen met autisme beter te begrijpen, maar ook jezelf. Want uiteindelijk voorspellen we allemaal — en zitten we allemaal weleens mis. Als je werkt met, leeft met of zelf autisme hebt, is dit boek een waardevolle gids die nuance, inzicht en hoop brengt. Documentaire: De Regels van Matthijs YouTube https://youtu.be/FkGGnGvwC5Q De regels van Matthijs https://www.npostart.nl/2doc/03-06-2014/KN_1656353
- Stress, minderheidsstress en coping bij autistische leerlingen
Een verdiepend inzicht voor professionals in onderwijs en begeleiding In het dagelijks werk met autistische jongeren merken professionals vaak dat school een bron van spanning kan zijn. Toch blijft het moeilijk om precies te begrijpen waar die spanning vandaan komt en hoe de schoolomgeving daar een rol in speelt. Een recente masterstudie van de Universiteit Gent biedt nieuwe inzichten die bijzonder waardevol zijn voor iedereen die met jongeren werkt. Dit artikel brengt die bevindingen samen in een helder verhaal en vertaalt ze naar de praktijk. De vele gezichten van stress in de schoolomgeving Autistische jongeren ervaren stress op manieren die verder gaan dan de klassieke beelden van prikkelgevoeligheid of moeite met planning. In de gesprekken die in het onderzoek zijn gevoerd, vertellen jongeren hoe onverwachte veranderingen, drukke klaslokalen en complexe sociale situaties hen kunnen overweldigen. Een leerling beschreef hoe hij volledig blokkeert wanneer iets plots anders loopt dan verwacht. Zulke ervaringen zijn herkenbaar voor veel professionals en passen binnen wat we algemene stressoren kunnen noemen. Maar het onderzoek laat zien dat er nog een tweede laag aanwezig is: minderheidsstress. Jongeren voelen zich in de schoolomgeving vaak anders dan hun leeftijdsgenoten. Ze merken dat hun gedrag verkeerd geïnterpreteerd wordt, dat ze soms worden uitgesloten of dat er vooroordelen bestaan over wat autisme betekent. Een leerling vertelde dat anderen denken dat hij “raar doet”, terwijl hij juist zijn uiterste best doet om mee te draaien. Deze vorm van stress ontstaat niet uit het individu, maar uit de sociale positie die de leerling inneemt binnen de schoolcultuur. Dat maakt het een structurele vorm van spanning die veel dieper ingrijpt dan prikkels of planning alleen. Hoe jongeren proberen om te gaan met spanning Wanneer stress zich opstapelt, zoeken jongeren manieren om ermee om te gaan. Het onderzoek toont dat veel autistische leerlingen vooral emotiegerichte coping gebruiken. Ze trekken zich terug, zoeken afleiding, proberen spanning weg te duwen of zetten gewoon door zonder hulp te vragen. Maskeren – het verbergen van autistisch gedrag om niet op te vallen – komt daarbij opvallend vaak voor. Deze strategieën kunnen op korte termijn verlichting geven, maar lossen de bron van stress niet op. Soms vergroten ze zelfs de belasting, omdat de leerling steeds meer energie moet steken in het volhouden. Probleemgerichte coping, zoals hulp vragen, plannen of grenzen aangeven, komt veel minder voor. Dat betekent dat jongeren ondersteuning nodig hebben om deze vaardigheden te ontwikkelen. Niet omdat ze het niet willen, maar omdat de sociale omgeving vaak niet uitnodigt om deze stappen te zetten. Wanneer een leerling zich anders voelt of bang is voor negatieve reacties, wordt hulp vragen een risico in plaats van een oplossing. De onverwachte kracht van steun buiten de school Hoewel de schoolomgeving centraal staat in het onderzoek, blijkt dat jongeren vooral steun ervaren van ouders, psychologen en vertrouwenspersonen buiten school. Leerkrachten en medeleerlingen spelen een dubbelrol: ze kunnen steun bieden, maar kunnen ook de bron van spanning zijn. Een leerling vertelde dat dezelfde klasgenoten die hem soms helpen, hem op andere momenten juist stress bezorgen. Dit maakt duidelijk dat sociale steun niet vanzelfsprekend is en dat jongeren sterk afhankelijk zijn van de kwaliteit van relaties om hen heen. Voor professionals betekent dit dat samenwerking essentieel is. Ouders en hulpverleners buiten school zijn vaak de belangrijkste buffer tegen stress. Wanneer zij goed verbonden zijn met de school, ontstaat een netwerk dat de leerling kan dragen. Verschillen tussen leerlingen: leeftijd en gender als bepalende factoren Het onderzoek laat zien dat stressbeleving niet uniform is. Oudere leerlingen, vooral tussen vijftien en negentien jaar, ervaren meer stress en zijn zich sterker bewust van stigma. Ze reflecteren dieper op hun positie binnen de school en voelen de druk om te voldoen aan verwachtingen. Meisjes rapporteren meer stress dan jongens en gebruiken meer copingstrategieën. Ze maskeren vaker en intensiever, wat hen enerzijds helpt om sociale situaties te navigeren, maar anderzijds veel energie kost. Tegelijkertijd ervaren meisjes meer steun van medeleerlingen, wat hun sociale positie complex en gelaagd maakt. Deze verschillen benadrukken dat begeleiding altijd maatwerk moet zijn. Autistische jongeren vormen geen homogene groep; hun ervaringen worden gevormd door leeftijd, gender, persoonlijkheid en context. Wat professionals kunnen betekenen De belangrijkste boodschap van het onderzoek is dat stress bij autistische jongeren niet alleen voortkomt uit hun neurologische profiel, maar uit de manier waarop de schoolomgeving hen ontvangt. Professionals kunnen een wereld van verschil maken door te werken aan een cultuur waarin verschillen niet alleen worden geaccepteerd, maar ook worden begrepen. Wanneer stigma afneemt en sociale veiligheid toeneemt, ontstaat ruimte voor jongeren om zichzelf te zijn. Daarnaast is het waardevol om jongeren te helpen bij het ontwikkelen van effectieve coping. Dat betekent dat ze mogen leren hoe ze hulp kunnen vragen, hoe ze grenzen kunnen aangeven en hoe ze stressoren kunnen herkennen voordat ze escaleren. Dit vraagt om geduld, vertrouwen en een omgeving waarin fouten maken mag. Tot slot is samenwerking cruciaal. Ouders, leerkrachten, psychologen en begeleiders vormen samen het netwerk dat een leerling draagt. Wanneer die verbinding sterk is, wordt stress beter opgevangen en ontstaat er ruimte voor groei. Een uitnodiging tot anders kijken Dit onderzoek maakt duidelijk dat autisme binnen het onderwijs niet alleen een kwestie is van ondersteuning bij prikkels of planning. Het gaat om sociale structuren, verwachtingen, identiteiten en relaties. Professionals die deze bredere context meenemen, kunnen jongeren helpen om niet alleen te overleven in de schoolomgeving, maar om zich er werkelijk thuis te voelen. Bronvermelding Van Wassenhove, E. (2023). Stress, coping en sociale steun bij autisme: Kwalitatief onderzoek naar de stressbeleving van jongeren met een autismespectrumstoornis in het gewoon secundair onderwijs in Vlaanderen [Masterproef, Universiteit Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen].
- Autisme of PDA: als autonomie noodzaak is
Vrouw leest op laptop Wie zich verdiept in autisme, merkt al snel hoe breed het spectrum is. Toch duikt binnen dat brede landschap een profiel op dat zich telkens opnieuw aan klassieke indelingen onttrekt: PDA, Pathological Demand Avoidance, of zoals steeds meer mensen verkiezen, Persistent Drive for Autonomy. Die laatste term klinkt minder pathologiserend en sluit beter aan bij wat veel PDA‑ers zelf ervaren. Korte video over PDA PDA is geen irrationele weerstand, maar een diepgewortelde behoefte aan autonomie om überhaupt te kunnen functioneren. Atypische autistische kenmerken Hoewel PDA vaak wordt beschreven als een gedragsprofiel binnen het autismespectrum, valt het in de praktijk op hoe atypisch het zich kan manifesteren. Waar veel autistische mensen voorspelbaarheid zoeken, kan iemand met PDA juist opbloeien bij spontaniteit. Waar anderen houvast vinden in routines, kan een PDA‑er blokkeren zodra iets te veel structuur krijgt. En waar sociale interactie voor veel autistische mensen vermoeiend is, kan iemand met PDA opvallend sociaal, expressief of charmant overkomen. Deze combinatie maakt PDA moeilijk te herkennen en makkelijk te misverstaan. Professionals geven in onderzoek aan dat kennis over PDA vrijwel overal ontbreekt, wat leidt tot misdiagnoses, ouderblaming en soms zelfs tot ernstige misinterpretaties zoals FII‑beschuldigingen. Wanneer een vraag voelt als een bedreiging De kern van PDA draait niet om koppigheid of onwil, maar om een stressreactie die wordt geactiveerd zodra iemand druk ervaart. Een vraag, een verwachting, een subtiele hint of zelfs een compliment dat voelt als een verplichting kan dezelfde vecht‑, vlucht‑ of bevriesreactie oproepen. Niet omdat iemand niet begrijpt wat er gevraagd wordt, maar omdat het gevoel van autonomie wegvalt. Voor PDA‑ers is dat verlies niet symbolisch, maar existentieel. Het gedrag dat daarop volgt – vermijden van dagelijkse taken, creatieve uitvluchten, plotselinge stemmingswisselingen of een sterke behoefte om situaties te controleren – is geen machtsstrijd, maar een poging om angst te reguleren. Het sociale masker dat verwarring zaait Een ander element dat PDA zo complex maakt, is de sociale presentatie. Veel PDA‑ers zijn expressief, creatief en vaardig in rollenspel. Ze kunnen sociaal vaardig lijken, terwijl ze tegelijkertijd moeite hebben met nuance, wederkerigheid of grenzen. Dat sociale masker zaait verwarring: hoe kan iemand die zo sociaal oogt volledig blokkeren bij tandenpoetsen, een jas aantrekken of een eenvoudige vraag? Het antwoord ligt in stressfysiologie, niet in motivatie. Autonomie is voor hen de sleutel tot regulatie. De valkuil van subcategorieën Het benoemen van PDA kan waardevol zijn, maar het opdelen van autisme in steeds meer subcategorieën brengt risico’s met zich mee. Autisme is geen verzameling eilandjes, maar een continuüm. Wanneer labels binnen labels te veel nadruk krijgen, ontstaat het gevaar dat mensen gaan twijfelen aan de echtheid van hun autisme of zich afvragen of ze wel in het juiste hokje vallen. Bovendien kan het de indruk wekken dat sommige vormen van autisme exotischer of problematischer zijn dan andere, terwijl het in werkelijkheid gaat om variaties in stressreacties, copingstrategieën en neurologische gevoeligheden. De wetenschappelijke basis voor PDA is bovendien nog in ontwikkeling. Het staat niet in DSM‑5 of ICD‑11 en er bestaat geen consensus over de diagnostische status. In de praktijk wordt PDA daarom vooral gebruikt als beschrijvend profiel binnen een narratieve diagnose. Waarom erkenning toch essentieel is Ondanks die kritische noot is het herkennen van PDA‑kenmerken wél van grote waarde. Niet om iemand in een subcategorie te plaatsen, maar om te begrijpen waarom traditionele autisme‑ondersteuning soms averechts werkt. Structuur, belonen en straffen, gedragsprogramma’s en voorspelbaarheid kunnen bij PDA juist druk creëren en escalatie veroorzaken. Ouders beschrijven dat klassieke opvoedstrategieën niet alleen ineffectief zijn, maar zelfs ontwrichtend kunnen werken omdat ze als eisen worden ervaren. Begrip van PDA betekent dat we anders leren kijken: minder vanuit controle, meer vanuit samenwerking; minder vanuit eisen, meer vanuit autonomie; minder vanuit “hoe krijg ik dit kind zover?”, meer vanuit “hoe creëren we veiligheid zodat het kind zelf kan bewegen?”. Een theoretisch kader dat richting geeft Een theoretisch kader voor PDA laat zien hoe autonomie, angst en hyperwaakzaamheid samenkomen in een stressgevoelig profiel waarin vraagvermijding een copingstrategie is. Gedrag is sterk contextafhankelijk, wat bijdraagt aan misdiagnose of twijfel aan de ernst. Er is overlap met angststoornissen, ODD, trauma en ADHD, waardoor formulatie‑gebaseerde diagnostiek noodzakelijk is. Meetinstrumenten zoals de EDA‑Q kunnen signaleren, maar zijn geen diagnostische tools. Wat wél werkt in ondersteuning Ondersteuning die aansluit bij PDA richt zich op gedeelde controle, keuzevrijheid, veiligheid en relatie. Een benadering waarin eisen worden verlaagd, taal indirect wordt gebruikt en autonomie wordt gezien als een voorwaarde voor regulatie. Het wetenschappelijke artikel benadrukt dat personalisatie en formulatie‑gebaseerde ondersteuning cruciaal zijn om schade te voorkomen en uitkomsten te verbeteren. Een open blik als sleutel PDA vraagt om nuance, nieuwsgierigheid en het loslaten van aannames over hoe autisme eruit zou moeten zien. Het vraagt om een open blik, juist omdat het zo makkelijk gemist wordt. Maar bovenal vraagt het om menselijkheid: het besef dat gedrag altijd communicatie is, en dat achter vermijding geen onwil schuilt, maar angst. Autonomie is voor PDA‑ers geen luxe, maar een voorwaarde. Erkenning is de eerste stap naar die ruimte. Theoretisch kader voor PDA binnen het autismespectrum 1. Positionering van PDA PDA (Pathological Demand Avoidance / Persistent Drive for Autonomy) wordt in de huidige literatuur meestal beschreven als een gedragsprofiel binnen het autismespectrum, niet als een aparte stoornis. Het gaat om een cluster van kenmerken rond extreme vraagvermijding, hoge angst en een sterke behoefte aan autonomie, dat bij een subgroep van (meestal) autistische personen wordt gezien. Tegelijkertijd is er geen consensus over de status van PDA: sommige auteurs zien het als een nuttig klinisch profiel, anderen als een beschrijvende term voor een combinatie van autisme, angst en oppositie/trauma‑gerelateerd gedrag. In diagnostische zin wordt PDA niet als aparte categorie opgenomen in DSM‑5 of ICD‑11. In de praktijk wordt vaak eerst een diagnose autismespectrumstoornis gesteld, waarna PDA als beschrijvend profiel wordt toegevoegd in de narratieve diagnose. 2. Kernconstructen in het PDA‑profiel Een theoretisch kader voor PDA leunt op een aantal terugkerende constructen in de literatuur: Autonomie en controle: centrale hypothese is dat verlies van autonomie een sterke stressrespons oproept. Vragen, verwachtingen en impliciete eisen worden ervaren als bedreigend, ook wanneer de activiteit op zichzelf gewenst is. Angst en hyperwaakzaamheid: veel studies beschrijven een verhoogd angstniveau, hyperwaakzaamheid en snelle escalatie naar vecht‑, vlucht‑ of bevriesreacties bij ervaren druk. Vraagvermijding als coping: vraagvermijding (demand avoidance) wordt gezien als een copingstrategie om angst en verlies van controle te reguleren, niet als “koppigheid”. Sociale strategieën: in tegenstelling tot veel klassieke beschrijvingen van autisme, wordt bij PDA vaak een relatief sterke of opvallende sociale presentatie gezien (rollenspel, charme, sociale manipulatie), met tegelijk blinde vlekken in sociale wederkerigheid en grenzen. Contextafhankelijk gedrag: gedrag kan sterk verschillen per omgeving (thuis, school, hulpverlening), wat bijdraagt aan misdiagnose of twijfel aan de ernst. Dit kader sluit aan bij modellen waarin PDA wordt gezien als een angst‑gedreven, autonomie‑gevoelig subtype van autistische stressrespons, eerder dan als een volledig aparte neurobiologische entiteit. 3. Differentiaaldiagnostiek en overlap De literatuur benadrukt aanzienlijke overlap tussen PDA‑achtig gedrag en: angststoornissen en vermijdingsgedrag, oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD), trauma‑gerelateerde reacties, andere neuro‑ontwikkelingsstoornissen (zoals ADHD). Een belangrijk theoretisch punt is dat PDA‑gedrag niet exclusief aan autisme hoeft te zijn gebonden, al wordt het in de praktijk vooral binnen autisme beschreven. De vraag of PDA een “autistisch profiel”, een transdiagnostisch angst‑/autonomieprofiel of een te smal geformuleerd cluster is, blijft open. 4. Meetinstrumenten en operationalisatie Het meest gebruikte instrument is de Extreme Demand Avoidance Questionnaire (EDA‑Q), ontwikkeld door Liz O’Nions en collega’s. Dit is een oudervragenlijst die extreme vraagvermijding en gerelateerde gedragingen in kaart brengt. Er zijn ook verkorte en aangepaste versies (o.a. voor leerkrachten). Belangrijke kanttekening: de EDA‑Q is ontwikkeld in een klinische context, met relatief kleine en selecte steekproeven. De psychometrische onderbouwing is groeiende maar nog beperkt; de vragenlijst is geen diagnostisch instrument, maar een hulpmiddel om een mogelijk PDA‑profiel te signaleren. 5. Klinische en pedagogische implicaties Binnen dit theoretisch kader wordt vaak benadrukt dat: klassieke gedragsprogramma’s met nadruk op belonen en straffen bij PDA juist meer druk en escalatie kunnen veroorzaken; ondersteuning beter werkt wanneer er samenwerking, keuzevrijheid en gedeelde controle wordt gecreëerd; het erkennen van de angstcomponent en het normaliseren van autonomie‑behoefte cruciaal is voor een werkbare relatie tussen kind/volwassene en omgeving. PDA‑sensitieve benaderingen leggen de nadruk op relatie, veiligheid, voorspelbaarheid zonder rigide eisen, en het creatief vormgeven van taken zodat ze minder als “eis” worden ervaren. 6. Kritische noot: het gevaar van subcategorieën Een belangrijk onderdeel van een volwassen theoretisch kader is ook de kritiek op het concept: Het risico bestaat dat PDA wordt gebruikt als nieuw label voor moeilijk gedrag, zonder dat onderliggende factoren (angst, trauma, systeemstress) goed worden onderzocht. Het opdelen van autisme in steeds meer subtypes en profielen kan de indruk wekken dat sommige vormen “echter” of “specialer” zijn dan andere, wat stigmatiserend of verwarrend kan werken. De huidige empirische basis is te beperkt om PDA als stabiel, duidelijk afgebakend subtype te beschouwen; veel auteurs pleiten daarom voor voorzichtigheid in taalgebruik en voor het zien van PDA als werkhypothese of klinisch beschrijvend profiel, niet als harde categorie. Een evenwichtig kader erkent dus zowel de herkenning en praktische waarde van het PDA‑profiel voor sommige gezinnen en professionals, als de wetenschappelijke onzekerheid en de gevaren van over‑labeling. Disclaimer Dit theoretisch kader is gebaseerd op de huidige, beperkte en deels controversiële wetenschappelijke literatuur over PDA. PDA is geen officieel erkende diagnose in DSM‑5 of ICD‑11. De beschreven concepten (zoals autonomie‑drang, vraagvermijding en angst) zijn werkmodellen, geen vaststaande feiten over onderliggende neurobiologie. De informatie is bedoeld voor educatieve en reflectieve doeleinden, niet als vervanging van professionele diagnostiek of behandeling. Interpretatie en toepassing in de praktijk vragen altijd om klinische expertise, contextkennis en samenwerking met de betrokkene en diens netwerk. Bronnenlijst Newson, E., Le Maréchal, K., & David, C. (2003). Pathological demand avoidance syndrome: A necessary distinction within the pervasive developmental disorders. Archives of Disease in Childhood, 88(7), 595–600. O’Nions, E., Christie, P., Gould, J., Viding, E., & Happé, F. (2014). Development of the ‘Extreme Demand Avoidance Questionnaire’ (EDA‑Q): A parent‑report questionnaire for identifying features of extreme demand avoidance in children. European Child & Adolescent Psychiatry, 23(8), 575–584. O’Nions, E., Viding, E., Floyd, C., Quinlan, E., Pidgeon, E., Gould, J., & Happé, F. (2016). Pathological demand avoidance profiles: A preliminary investigation in children with autism spectrum disorders. Autism, 20(4), 434–442. Green, J., & colleagues. (2018). Pathological demand avoidance: Symptoms but not a syndrome. The Lancet Child & Adolescent Health, 2(9), 651–653. Kildahl, A. N., Helverschou, S. B., Rysstad, A. L., & others. (2021). Pathological demand avoidance in children and adolescents: A systematic review. Review Journal of Autism and Developmental Disorders. Hodge, S., & others. (2016). “It’s like they’re allergic to demands”: Parental experiences of children with a PDA profile. Good Autism Practice. Haire, A., & colleagues. (2024). A scoping review of research methods used to study pathological demand avoidance. Journal of Autism and Developmental Disorders. Curtis, G., & Izett, E. (2025). Parenting a child with a PDA profile: A qualitative exploration of parental experiences. Autism in Adulthood / Child & Adolescent Mental Health (tijdschrift afhankelijk van definitieve publicatie). Lees meer over PDA: https://hetpdahuis.org/
- Sociaal Verhaal 12: Agenda op je telefoon
🌿 Ik leer mijn dag te plannen met een digitale agenda Soms vergeet ik dingen. Afspraken, taken of zelfs leuke activiteiten. Dat kan mij onzeker of gefrustreerd maken, omdat ik dan niet goed weet wat ik moet doen of wanneer iets moet gebeuren. Het is normaal dat dit gebeurt, en het betekent niet dat ik iets verkeerd doe. 🌱 Een handig idee van Emma Mijn buurvrouw Emma vertelde mij iets handigs. Zij heeft ook autisme en gebruikt een agenda op haar telefoon: de Google Agenda. Ze liet mij zien hoe die werkt. In het begin was ik terughoudend, omdat nieuwe manieren soms spannend zijn. Maar ik besloot het toch te proberen. 📅 Mijn afspraken invoeren Ik begon mijn afspraken en taken in de digitale agenda te zetten. Ik vulde tijden in en stelde herinneringen in. Zo krijg ik een melding wanneer ik iets moet doen. Dat helpt mij om op tijd te zijn en minder te vergeten. 🌈 Meer rust in mijn dag Mijn dag werd duidelijker. Ik zie nu wat ik moet doen en wanneer. Dat geeft rust in mijn hoofd. Ik voel mij minder gestrest en heb meer controle over mijn tijd. Dat voelt prettig en overzichtelijk. 🤝 Verbinding met anderen Ik plan nu ook afspraken met vrienden en familie. Daardoor vergeet ik ze niet meer. Het helpt mij om meer contact te hebben met anderen. Het voelt goed om verbonden te zijn en te weten dat ik ruimte maak voor mensen die belangrijk voor mij zijn. 🎨 Tijd voor hobby’s en rust In mijn agenda zet ik ook hobby’s en rustmomenten. Ik plan tijd om te tekenen, lezen of wandelen. Dat helpt mij om balans te houden tussen dingen die moeten en dingen die fijn zijn. Zo blijft mijn dag rustig en overzichtelijk. 🧩 Mijn ervaring delen Ik deelde mijn ervaring met anderen. Samen gaven we een workshop in het dorp. Ik liet mensen zien hoe een digitale agenda kan helpen. Veel mensen vonden het handig en wilden het ook proberen. Dat voelde goed. ⭐ Plannen helpt mij groeien Ik weet nu dat plannen mij helpt om mijzelf beter te voelen. Ik durf meer en ik voel mij zekerder. Ik mag mijn eigen manier gebruiken om mijn leven te organiseren, op een manier die bij mij past. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 11: Positief denken
🌿 Ik leer positief te denken Soms voel ik mij anders dan andere mensen. Ik denk en voel op mijn eigen manier. Dat is oké. Toch voel ik mij niet altijd verbonden met anderen, en dat kan verdrietig zijn. Het is normaal om soms te twijfelen aan jezelf of je plek in een groep. 🌱 Een ontmoeting die iets veranderde Op een dag ontmoette ik Sarah. Sarah is een vriendelijke vrouw die goed kan luisteren. Ze zag dat ik sterke kanten heb, ook al voel ik mij soms onzeker. Ze wilde mij helpen om die kanten meer te gaan zien. Haar geloof in mij gaf mij een warm gevoel. 🔍 Kijken naar what wél goed gaat Samen met Sarah leerde ik om naar positieve things te kijken. In plaats van te denken aan what ik niet kan, keken we naar what ik wél goed doe. Ik ontdekte dat ik creatief ben, dat ik goed kan focussen en dat ik eerlijk ben. Door op deze sterke kanten te letten, voelde ik mij krachtiger. 🤝 Mezelf waarderen Ik leer om mezelf meer te waarderen. Ik weet dat mijn manier van denken waardevol is. Wanneer ik positief over mezelf denk, wordt het contact met anderen ook makkelijker. Ik durf meer mezelf te zijn en ik voel mij meer verbonden. Dat geeft rust en plezier. ⭐ Positief denken helpt mij groeien Ik merk dat positief denken mij helpt in het dagelijks leven. Het maakt uitdagingen minder zwaar en het geeft mij energie om nieuwe things te proberen. Ik leer dat ik mag stralen op mijn eigen manier. En elke stap die ik zet in positief denken, brengt mij dichter bij mezelf en bij anderen. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 10: Omgaan met kritiek
🌿 Ik leer omgaan met kritiek Soms zegt iemand iets over wat ik doe. Dat heet kritiek of feedback. Het gaat vaak over iets dat beter kan. Wanneer ik kritiek krijg, kan ik mij verdrietig, boos of verward voelen. Dat is normaal. Veel mensen hebben dat. 🌱 Kritiek is niet altijd negatief Niet alle kritiek is bedoeld om mij een slecht gevoel te geven. Soms willen mensen mij juist helpen. Ze proberen duidelijk te maken wat ik kan verbeteren. Het gaat dan niet over wie ik ben, maar over iets dat ik doe. Dat maakt kritiek minder persoonlijk. 🌬 Rustig luisteren helpt Ik kan oefenen met rustig luisteren. Wanneer iemand iets zegt over mijn werk, probeer ik eerst te horen wat die persoon bedoelt. Ik adem rustig in en uit. Daarna kan ik vragen: “Wat bedoel je precies?” Dat helpt mij om beter te begrijpen wat er wordt gezegd. 🏫 Feedback op school Op school kreeg ik feedback van mijn leraar. In plaats van meteen te denken dat ik iets fout had gedaan, keek ik naar wat ik kon leren. Dat voelde beter. Ik maakte mijn werk opnieuw en merkte dat het steeds beter ging. Feedback hielp mij vooruit. 🌼 Mijn gevoelens herkennen Ik mag leren om mijn gevoelens te herkennen. Als ik mij boos voel, kan ik denken: Ben ik eigenlijk gefrustreerd omdat ik het moeilijk vind? Dat is een rustiger woord en past vaak beter bij wat ik echt voel. Door mijn gevoelens te benoemen, kan ik rustiger blijven. 🌈 Kritiek helpt mij groeien Kritiek kan mij helpen om te groeien. Door te leren van feedback, word ik beter in mijn werk en in gesprekken. Ik hoef niet alles perfect te doen. Oefenen en leren horen erbij. Elke keer dat ik iets nieuws probeer, leer ik iets over mezelf. ⭐ Ik ben sterk wanneer ik luister en leer Ik weet nu dat ik sterk ben wanneer ik kan luisteren en leren. Dat helpt mij om betere relaties te hebben met anderen en om mezelf te verbeteren. Ik mag trots zijn wanneer ik kritiek begrijp en gebruik om iets nieuws te leren. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 9: Balans tussen praten en luisteren
🌿 Ik leer te luisteren en te praten in gesprekken Soms praat ik graag over what ik denk of voel. Dat is fijn, want delen helpt mij om begrepen te worden. Maar soms merk ik dat ik vooral praat en niet altijd goed luister naar wat anderen zeggen. Dan begrijpen we elkaar minder goed, en dat voelt onhandig. 🌱 Eerst luisteren geeft rust Ik kan leren om eerst te luisteren. Wanneer ik iemand ontmoet, probeer ik te horen wat de ander vertelt. Ik wacht tot die persoon klaar is. Daarna mag ik iets terugzeggen. Dat geeft ruimte in het gesprek en maakt het duidelijker voor ons allebei. 🔍 Door te luisteren begrijp ik meer Als ik luister, hoor ik wat iemand denkt, voelt of heeft meegemaakt. Dat helpt mij om beter te begrijpen wat belangrijk is voor die persoon. Luisteren maakt het makkelijker om te weten hoe ik kan reageren. 🏫 Oefenen op school Op school probeer ik ook goed te luisteren. Wanneer mijn leraar iets uitlegt, let ik op. Soms stel ik een vraag over wat ik net hoorde. Dat helpt mij om beter te leren en om te laten zien dat ik oplet. 🤝 Gesprekken worden fijner Ik merk dat gesprekken fijner worden wanneer ik luister en daarna praat. Mensen voelen zich gehoord. Ze praten dan ook liever met mij. Zo worden onze gesprekken sterker en prettiger. 🌼 Oefenen mag Ik mag oefenen met luisteren. Het lukt niet altijd meteen, en dat is oké. Elke keer dat ik luister, doe ik iets goeds voor mezelf én voor de ander. ⭐ Luisteren hoort bij samen zijn Luisteren is belangrijk in sociale situaties. Het helpt mij om vrienden te maken, samen te leren en beter te begrijpen wat anderen nodig hebben. Praten én luisteren horen allebei bij een goed gesprek. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 8: Naar een uitvaart
🌿 Een verdrietig moment: naar een uitvaart Soms overlijdt er iemand die ik ken. Dat is verdrietig en kan verwarrend zijn. Bij een overlijden hoort vaak een uitvaart. Dat is een bijeenkomst waar mensen afscheid nemen. Omdat zo’n moment anders is dan gewone dagen, kan ik mij onzeker voelen over what ik moet doen. 🌱 Voorbereiden op de dag Ik leer dat voorbereiden mij helpt om meer rust te vinden. Ik kan vragen wie er nog meer komen en hoe de ruimte eruitziet. Ook weet ik welke kleding passend is, zoals donkere of nette kleren. Door te weten what er gaat gebeuren, voel ik mij minder gespannen. 🤝 Rustig aanwezig zijn Op de uitvaart zijn mensen vaak stil en stemmig. Dat is hun manier om respect te tonen. Ik mag ook rustig aanwezig zijn. Ik hoef niet veel te zeggen als ik dat lastig vind. Gewoon luisteren naar de muziek of de verhalen is ook een manier om afscheid te nemen. ⭐ Respect tonen op mijn eigen manier Ik ontdek dat ik op mijn eigen manier respect kan tonen. Door er te zijn en mee te leven met anderen, doe ik iets waardevols. Ik leer dat een uitvaart een plek is waar we samen stilstaan bij iemands leven. Dat geeft een gevoel van verbondenheid, ook in een verdrietige tijd. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 7: Een verjaardagsfeest
🌿 Ik ga naar een verjaardagsfeestje Soms word ik uitgenodigd voor een verjaardagsfeestje. Dat kan spannend zijn. Op een feestje zijn vaak andere kinderen, eten, spelletjes en muziek. Omdat ik niet altijd precies weet what er gaat gebeuren, kan ik mij onzeker voelen. Dat is normaal. 🎁 Voorbereiden helpt Ik leer dat voorbereiden helpt om rustiger te worden. Wanneer ik de uitnodiging krijg, lees ik die goed. Ik weet dan waar het feestje is en hoe laat het begint en eindigt. Ik kan ook nadenken over een cadeautje dat de ander leuk vindt. Dat geeft mij al een beetje houvast. 🎶 Zingen en eten op het feestje Op het feestje gebeuren dingen vaak in een vaste volgorde. Eerst geven we de jarige een cadeautje. Daarna zingen we soms samen een liedje. Dan is het tijd voor taart of iets anders lekkers. Als ik weet dat dit gaat gebeuren, voel ik mij minder verrast door de drukte. 🤝 Samen spelen of even rustig zitten Op een feestje mag ik meedoen met de spelletjes, maar ik mag ook even rustig gaan zitten als het te druk wordt. Dat is oké. Ik kan ook met een ander kind praten over things die we allebei leuk vinden. Zo maak ik op mijn eigen manier contact. ⭐ Een fijn feestje beleven Ik ontdek dat verjaardagsfeestjes leuk kunnen zijn. Door voorbereid te zijn en te weten what er komt, kan ik meer genieten van de gezelligheid. Ik leer dat ik sociale momenten kan beleven op een manier die bij mij past. Dat voelt goed. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 6: Momenten van geluk
🌿 Het is oké om mij soms ongelukkig te voelen Soms voel ik mij niet zo blij. Ik begrijp dan niet altijd waarom. Dat kan verwarrend zijn, alsof er een wolk in mijn hoofd hangt die de zon tegenhoudt. Het is belangrijk om te weten dat dit erbij hoort. Niemand is altijd blij, en ik mag de tijd nemen om te ontdekken wat mij helpt. 🌱 Wat ik kan doen om rust te vinden Ik heb geleerd dat kleine dingen mij kunnen helpen. Wandelen in het bos geeft mij rust. De bomen, de wind en de geluiden van de natuur voelen prettig. Ook creatief bezig zijn, zoals tekenen of bouwen, helpt mij om mijn gedachten te verzetten. Op zulke momenten voel ik mij weer een beetje lichter. 🤝 Praten met iemand die ik vertrouw Soms helpt het ook om te praten. Als ik vertel dat ik mij niet zo fijn voel, luistert mijn moeder of een goede vriend. Zij hoeven het niet meteen op te lossen, maar gewoon luisteren is vaak al genoeg. Het gevoel dat ik niet alleen ben, geeft mij weer een beetje moed. ⭐ Momenten van geluk herkennen Ik leer nu om geluksmomenten te herkennen. Een lekker broodje, een mooie vogel in de tuin of het afronden van een taak op school. Dat zijn kleine lichtpuntjes. Door hierop te letten, merk ik dat er naast de wolken ook weer zonneschijn komt. Ik leer dat ik invloed heb op mijn eigen welzijn. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 5: Kies de juiste woorden
🌿 Woorden die helpen om te zeggen hoe ik mij voel Soms weet ik niet precies hoe ik moet vertellen wat ik denk of voel. Het kan lastig zijn om woorden te kiezen die passen bij what er vanbinnen gebeurt. Daardoor voel ik mij soms onzeker, alsof ik niet goed weet hoe ik moet beginnen. 🌱 Wat mijn moeder mij leerde Mijn moeder vertelde iets belangrijks over woorden. Ze zei dat het helpt om positieve en rustige woorden te gebruiken wanneer ik vertel hoe ik mij voel. Zulke woorden maken het makkelijker voor anderen om mij te begrijpen. Ze geven duidelijkheid zonder dat het meteen zwaar of boos klinkt. Ze gaf voorbeelden zoals blij, fijn en teleurgesteld. Deze woorden passen beter bij what ik echt bedoel. Ze voelen rustiger dan woorden zoals slecht of boos, en ze helpen om precies te zeggen what er aan de hand is. 🤝 Oefenen met mijn vrienden Ik begon te oefenen. Toen ik een keer niet mocht meespelen, zei ik: “Ik voel me teleurgesteld omdat jij me niet liet spelen.” Mijn vrienden begrepen meteen wat ik bedoelde. Ze konden rekening houden met mijn gevoel, omdat ik duidelijk had gezegd what er in mij omging. 🔍 Positieve woorden geven inzicht Ik merk dat positieve woorden mij helpen om mijn emoties beter te begrijpen. Als ik boos ben, kan ik nadenken: Ben ik eigenlijk gefrustreerd? Dat is een rustiger woord, en het past vaak beter bij what ik echt voel. Door dat woord te kiezen, wordt het makkelijker om te begrijpen what er gebeurt in mijn hoofd en lichaam. ⭐ Woorden maken verschil Ik weet nu dat woorden belangrijk zijn. Als ik rustige, positieve woorden gebruik, begrijpen anderen mij beter. Ik voel me dan minder gespannen. Ik leer ook om naar anderen te luisteren en te horen welke woorden zij gebruiken. 🌼 Ik mag oefenen Ik mag blijven oefenen met woorden die mij helpen. Als ik positief praat over what ik voel, word ik sterker in gesprekken. Mensen begrijpen mij beter... en ik begrijp mezelf beter. Dat voelt prettig en geeft vertrouwen. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina
- Sociaal verhaal 4: Ik voel me comfortabel
🌿 Wanneer ik me ongemakkelijk voel Soms voel ik me ongemakkelijk wanneer ik bij andere mensen ben. Dat kan gebeuren op school, in het park of op een plek waar ik nog niet helemaal weet what er gaat gebeuren. In zulke momenten voel ik spanning en onzekerheid in mijn lichaam, alsof ik niet goed weet hoe ik moet bewegen of what ik moet zeggen. 👕 Comfort dat helpt Ik ontdekte dat ik mij prettiger voel wanneer ik mijn favoriete kleding draag. Mijn trui zit zacht en vertrouwd. Ik heb hem al vaak aangehad, en daardoor voelt hij veilig. Als ik mijn trui aantrek, wordt het in mijn hoofd rustiger. Het helpt me om mezelf te blijven, ook als de situatie spannend is. 🚶 Wandelen in het park Op een dag ging ik wandelen in het park. Ik droeg mijn favoriete trui. In het park zag ik kinderen die ook aan het wandelen waren. Ze vroegen of ik mee wilde lopen. Even voelde ik die bekende onzekerheid weer opkomen. 🌱 Stapje voor stapje op mijn gemak Toch voelde ik me iets meer op mijn gemak omdat ik mijn trui aanhad. Het was alsof ik een stukje veiligheid met me meedroeg. Ik besloot mee te wandelen. We praatten en lachten samen. Het voelde fijn om erbij te horen en om te merken dat ik dat kon, zelfs als het eerst spannend was. 🧩 Wat kleding voor mij kan doen Ik leerde dat kleding mij kan helpen. Als ik iets draag dat prettig voelt, lukt het beter om rustig te blijven in sociale situaties. Het helpt me om nieuwe mensen te ontmoeten en om contact te maken op een manier die goed voelt voor mij. 🏫 Een rustige dag op school De volgende dag droeg ik mijn trui op school. Ik voelde me rustiger in de klas. Ik kon me beter concentreren en ik praatte meer mee in de groep. Het was alsof de trui me hielp om stevig te staan in de drukte van de dag. ⭐ Comfort helpt mij om mezelf te zijn Ik ontdek dat comfort mij ondersteunt. Mijn kleding kan mij helpen om me veilig te voelen. En wanneer ik me veilig voel, lukt het beter om met anderen samen te zijn. Dat is prettig, and het laat me zien dat kleine dingen een groot verschil kunnen maken. Zelf aan de slag met sociale verhalen? Ontdek het vernieuwde programma Sociaal Voorspellen en leer hoe je sociale situaties voorspelbaar maakt. Bekijk hier het programma op de Psycho-educatie pagina











