Waarom IQ weinig zegt over neurodivergente mensen, en bij autisme in het bijzonder
- Gert de Heus

- 18 jan
- 4 minuten om te lezen
En waarom vooral autistische mensen vastlopen in een test die nooit voor hen ontworpen is

In onderwijs, zorg en diagnostiek wordt het IQ vaak gebruikt als een soort universele maatlat. Een getal dat zou bepalen wat iemand kan, welke ondersteuning passend is en welke verwachtingen reëel zijn. Maar voor veel neurodivergente mensen, waaronder mensen met autisme, ADHD, dyslexie, dyspraxie en andere vormen van andersoortige informatieverwerking, werkt die maatlat simpelweg niet. Het resultaat is vaak een beeld dat niet klopt, niet helpt en soms zelfs schaadt.
Op Autismeportaal kijken we graag verder dan cijfers. Daarom onderzoeken we in deze blog waarom IQ-tests zo slecht aansluiten bij neurodivergente denkstijlen, en waarom autisme daarbij een bijzonder duidelijk voorbeeld is.
IQ meet een smalle vorm van denken
IQ-tests zijn gebaseerd op een beperkte definitie van intelligentie: snel schakelen, abstract redeneren, verbaal begrip en visueel-ruimtelijke puzzels. Dat lijkt breed, maar het laat veel vormen van denken buiten beeld. Neurodivergente mensen verwerken informatie vaak op manieren die niet passen binnen deze structuur.
Autistische mensen denken bijvoorbeeld diep, precies en betekenisgericht. ADHD-denkers zijn vaak associatief, creatief en sterk in patroonherkenning. Dyslectische denkers blinken regelmatig uit in ruimtelijk inzicht of conceptueel denken. Deze denkstijlen zijn waardevol, maar worden nauwelijks zichtbaar in een IQ-test. Daardoor meet de test vooral hoe iemand functioneert binnen de kunstmatige logica van de test, niet hoe iemand denkt in het dagelijks leven.
De test vraagt iets wat veel neurodivergente breinen niet vanzelf doen
Een lagere IQ-score wordt vaak gezien als een teken van beperkte denkkracht. In werkelijkheid zegt het meestal meer over de eisen van de test dan over de persoon die hem maakt.
Voor autistische mensen speelt monotropisme een grote rol: diep en gefocust denken, gericht op betekenis. IQ-tests vragen juist om snel schakelen, taken afbreken voordat ze “af” voelen en opdrachten uitvoeren zonder duidelijke relevantie. ADHD-denkers lopen vast op langdurige concentratie en het ontbreken van prikkels. Mensen met dyslexie worden benadeeld door taalgerichte onderdelen die niets zeggen over hun begrip of inzicht.
Veel onderdelen van de test leunen bovendien zwaar op verwerkingssnelheid. Niet omdat snelheid intelligentie is, maar omdat het makkelijk te meten is. Voor veel neurodivergente mensen is snelheid juist een slechte voorspeller van hun werkelijke capaciteiten.
Ambiguïteit en taal zorgen voor vertekening
Veel testitems zijn sociaal of taalkundig ambigu. Niet-neurodivergente mensen vullen ontbrekende context automatisch in. Autistische denkers doen dat niet; zij zoeken precisie en consistentie. ADHD-denkers zien vaak meerdere interpretaties tegelijk. Dyslectische denkers kunnen struikelen over taalvormen die niets zeggen over hun begrip.
Wanneer een vraag meerdere logische antwoorden heeft, of wanneer de formulering te open is, kan dat leiden tot “fouten” die eigenlijk getuigen van scherp denken. De test is simpelweg niet ontworpen voor deze variatie in cognitieve stijlen.
De omgeving beïnvloedt de score meer dan we denken
Een IQ-test wordt bijna altijd afgenomen in een prikkelrijke, sociale situatie: een onbekende ruimte, een onbekende testleider, tijdsdruk, verwachtingen. Voor neurodivergente mensen is dat geen neutrale setting. Overprikkeling, stress, sociale onzekerheid of juist onderprikkeling kunnen de prestaties sterk beïnvloeden.
De score zegt dan vooral iets over de omstandigheden, niet over de cognitieve mogelijkheden.
Veel coaches die dagelijks met autistische en andere neurodivergente mensen werken, zien in de praktijk hoe beperkt de waarde van IQ-tests is. Zij merken dat een IQ-score vaak weinig zegt over hoe iemand functioneert in echte situaties, waar motivatie, veiligheid en voorspelbaarheid een veel grotere rol spelen.
Coaches zien regelmatig cliënten die in gesprekken, werk, hobby’s of probleemoplossing duidelijk laten zien dat ze complex kunnen denken, maar die in een testsetting vastlopen door stress, tijdsdruk of onduidelijke opdrachten. Voor veel coaches is een IQ-score daarom geen eindpunt maar hooguit een klein puzzelstukje. Ze kijken liever naar wat iemand nodig heeft om tot bloei te komen: welke omstandigheden helpen, welke denkstijl iemand heeft, hoe iemand leert, en welke talenten zichtbaar worden wanneer de druk van de test wegvalt.
Wat zegt een IQ-score dan wél?
Een IQ-score vertelt vooral hoe iemand functioneert onder tijdsdruk, schakeltaken, ambiguïteit, sociale aanwezigheid en prikkelbelasting. Dat geldt voor autistische mensen, maar net zo goed voor andere neurodivergente groepen.
Het zegt weinig over creativiteit, probleemoplossend vermogen, leerpotentieel, systeemdenken, motivatie, hyperfocus of functioneren in betekenisvolle situaties. Juist daar liggen voor veel neurodivergente mensen hun grootste kwaliteiten.
Tijd voor een ander perspectief
Als we neurodivergente intelligentie willen begrijpen, moeten we verder kijken dan één getal. Een profielanalyse geeft meer inzicht dan een totaalscore. Dynamisch testen laat zien hoe iemand leert in plaats van wat iemand al kan. Observaties in betekenisvolle situaties laten zien hoe motivatie en interesse het functioneren veranderen. En beoordelingen die rekening houden met monotropisme, prikkelverwerking, executieve functies en context geven een veel eerlijker beeld van hoe iemand denkt en tot bloei komt.
IQ is geen maat voor neurodivergentie, en zeker geen maat voor waarde, potentie of talent. Het is een instrument dat in sommige situaties nuttig kan zijn, maar bij neurodivergente mensen, en vooral bij autisme, vaak meer ruis dan richting geeft. Wanneer we dat erkennen, ontstaat ruimte voor een rijker en accurater beeld van cognitieve diversiteit.




Opmerkingen